putter
Wat is een putter?
Een putter is een golfclub die speciaal ontworpen is om de golfbal over de green te rollen richting de hole. In tegenstelling tot andere clubs, zoals een driver of een ijzer, is de putter niet bedoeld om de bal in de lucht te slaan. Het doel is juist om de bal zo vloeiend en precies mogelijk over het gras te laten rollen.
De putter heeft een vrijwel verticaal staand clubface (de hoek van het slagvlak is minimaal) en een relatief korte schacht. Dit maakt het mogelijk om de bal nauwkeurig te richten en met een gecontroleerde beweging te slaan.
Waar komt de term vandaan?
Het woord 'putter' is afgeleid van het Engelse werkwoord 'to putt', wat betekent: een zachte, gecontroleerde slag maken op de green. Het woord heeft zijn wortels in het Schots-Engelse dialect en stamt vermoedelijk uit de 17e of 18e eeuw, toen het moderne golf werd ontwikkeld in Schotland. 'Putten' is dus zowel de handeling als de naam van de club die daarvoor gebruikt wordt.
De slag zelf wordt een putt genoemd, en het onderdeel van het golfspel dat zich afspeelt op de green noemen we het putten of putting.
Waarom is de putter zo belangrijk?
Statistisch gezien gebruik je de putter bij meer dan 40% van al je slagen tijdens een ronde golf. Op een standaard 18-holesbaan met par 72 zijn er theoretisch 36 putts inbegrepen in de par-score — dat is twee putts per hole. Voor beginners liggen die aantallen nog veel hoger.
Een goede puttingtechniek kan je score enorm verbeteren, zelfs als de rest van je spel nog in ontwikkeling is.
Soorten putters
Er zijn verschillende soorten putters, elk met eigen kenmerken:
- Blade putter: Een slanke, traditionele putter. Populair bij spelers die veel gevoel willen in hun slag.
- Mallet putter: Een bredere, zwaardere kop. Biedt meer stabiliteit en is vriendelijker voor beginners.
- Face-balanced putter: De kop blijft horizontaal als je de schacht balanceert. Ideaal voor een rechte putting-beweging.
- Toe-balanced putter: De kop hangt naar beneden bij het balanceren. Geschikt voor spelers met een boogvormige beweging.
Praktijkvoorbeelden voor beginnende golfers
1. Leer de afstand inschatten
Beginners richten zich vaak te veel op de richting van een putt en vergeten de kracht. Oefen op de puttinggreen met het rollen van de bal naar een doel op verschillende afstanden: 1 meter, 3 meter en 5 meter. Zo ontwikkel je gevoel voor hoe hard je moet slaan.
2. De 'gate drill'
Plaats twee tees iets breder dan de breedte van je putterhead, vlak voor de bal. Oefen om de putter door deze 'poort' te bewegen zonder de tees te raken. Dit helpt je om de club recht door te bewegen en consistent contact te maken.
3. Oog boven de bal
Een veelgemaakte fout is dat beginners te ver van de bal staan. Zorg ervoor dat je oog recht boven de bal is bij het adres. Dit helpt je de lijn van de putt correct te beoordelen.
4. Lees de green
Een green is zelden helemaal vlak. Loop om de hole heen en kijk hoe het gras loopt. Een helling zorgt ervoor dat de bal naar links of rechts afwijkt — dit heet de break of borrow. Als beginner hoef je dit niet perfect te beheersen, maar begin er bewust mee te zijn.
5. Korte putts eerst
Niets is zo frustrerend als een putt missen van één meter. Oefen regelmatig korte putts (50 cm tot 1,5 meter) zodat je vertrouwen opbouwt. Succes op korte putts geeft zelfvertrouwen voor langere putts.
Conclusie
De putter is misschien niet de meest spectaculaire club in je tas, maar wel de meest waardevolle. Door tijd te investeren in je puttingtechniek, je afstandsgevoel en het lezen van de green, kun je als beginnende golfer snel je score verbeteren. Goede putters worden niet geboren — ze worden getraind.